Beste mensen op dit forum,
Ik heb heel dit topic nog eens helemaal overlezen.
Eerst en vooral wil ik stellen dat mijn redenering om tot een eerder besluit te komen dat art 24.7 niet van toepassing is op T kruispunten aan de doorlopende zijde volgens mij nog altijd een zekere logica inhoudt.
Verder stel ik bij het herlezen van mijn uitleg ter verdediging van jullie versie vast dat de meesten onder jullie de opbouw van mijn redenering NIET hebben begrepen.
Ik kan dit duidelijk opmaken aan jullie antwoorden dat die totaal niet in verband staan met wat ik beweer.
Ik heb in mijn ijverigheid wel een aantal dingen fout geschreven die eventueel verkeerd begrepen zouden kunnen worden en heb mij hier voor verontschuldigd.
Ik zeg niet dat ik jullie redenering niet begrijp, neen integendeel, het is een mogelijke interpretatie maar ik stel mij een aantal vragen bij jullie interpretatie waardoor ik nog altijd niet overtuigd ben om deze als de juiste versie te beschouwen.
Vraag1 : Waarom zou jullie interpretatie van "naastbijgelegen" juister zijn dan mijn interpretatie? Rekening houdend met mijn opbouw van de redenering waar de meesten onder jullie geen rekening mee houden omdat zij alvorens zich te verdedigen hun hoofd niet volledig vrij maken van het standpunt en de opbouw van jullie versie.
Bepaalde resten van gedachten blijven hangen waardoor mijn interpretatie niet vanuit de juiste basis bekeken kan worden.
Aan de meeste antwoorden die ik tot nu toe heb kunnen lezen op deze vraag kan je vaststellen dat de basis niet begrepen werd.
Vraag2 : Zouden jullie er kunnen inkomen dat diegenen die de wegcode in '75 hebben geschreven misschien speciaal deze ingewikkelde zinsconstruktie hebben gebruikt om er net de nadruk op te leggen dat je wel mag parkeren aan de doorlopende kant? Anders had de tekst er wel éénvoudiger kunnen uitzien?
Vraag3 : Wat is de zin van het verbod op de bermen aan de doorlopende zijde? Buiten de agglomeratie staan de auto's op drukke wegen meestal niet op de rijbaan geparkeerd voor verschillende redenen, zoals ondermeer bord B9, rijstroken, verplicht gebruik van de bermen enz.
Vraag4: Wat is de zin van het verbod in de agglomeratie in straten die breed genoeg zijn? In de steden staan auto's massaal geparkeerd langs de doorlopende zijde op plaatsen waar dit totaal geen hinder of gevaar oplevert.
Vraag5 : Wat is het nut van het verbod bij schuine straten als je niet zou mogen parkeren aan de doorlopende zijde in de parallellogram die gevormd zou worden?
Ik ga mijn opbouw nog eens helemaal proberen uit te leggen in de hoop dat jullie mij tenminste begrijpen zonder dat je daarom akkoord hoeft te gaan.
Als jullie één van de gegevens niet begrijpen dan kan je niet correct reageren op mijn interpretatie.
Gegeven 1: De openbare weg houdt op waar het priveterrein begint, dus bermen, trottoirs en fietspaden zijn zowieso ook begrepen in de term kruispunt.
Gegeven 2: Kruispunt is de plaats waar 2 of meer openbare wegen samenkomen.
Gegeven 3: Een kruispunt met 2 doorlopende wegen, dus 4 toegangswegen , heeft 8 werkelijke rijbaanranden. 2 op elke hoek.
Gegeven 4: Om te bepalen waar je mag parkeren volgens 24.7 hou je alleen rekening met de randen van de dwarsrijbaan en niet met de randen van de rijbaan waar je wil parkeren.
Gegeven 5: Om te bepalen waar we mogen parkeren 24.7 houden we rekening met "de verlenging van de naastbijgelegen rand van de dwarsrijbaan"
Gegeven 6: Een werkelijke rand loopt niet door op de plaats waar een straat toekomt aan een kruispunt.
Als ja al deze gegevens hebt begrepen , je moet er niet mee akkoord gaan om ze te begrijpen,dan geeft ik jullie mijn interpretatie.
Mijn interpretatie van naastbijgelegen is nog altijd: Naastbij is niet aan de overkant van de straat.
Als ik rechts wil parkeren is de rand van de dwarsstraat die ik denkbeeldig moet verlengen rechts.(Naastbij)
Als ik voor het kruispunt wil parkeren is het de rand rechtsvoor.(Naastbij)
Als ik voorbij het kruispunt wil parkeren is het de rand rechtsachter.(Naastbij)
Als ik links wil parkeren bij éénrichtingsverkeer is de rand van de dwarsstraat die ik denkbeeldig moet verlengen links.(Naastbij)
Als ik voor het kruispunt wil parkeren is het de rand linksvoor.(Naastbij)
Als ik voorbij het kruispunt wil parkeren is het de rand linksachter.(Naastbij)
Al de werkelijke randen waarmee ik rekening hou liggen het dichtste bij de plaats waar ik wil parkeren, naastbij.
De randen worden niet met mekaar verbonden om de denkbeeldige verlenging te krijgen.
Iedere werkelijke rand wordt denkbeeldig net zover doorgetrokken tot je kan bepalen waar je mag parkeren.
En dan het gedeelte waar jullie niet mee akkoord gaan. "Naastbij is niet aan de overkant van de straat."
Uitleg:
Op T kruispunten ga ik ervan uit dat aan de doorlopende zijde geen naastbijgelegen randen zijn, vermits er aan die kant geen dwarsstraat is.
Ik hou geen rekening met de werkelijke randen aan de overkant want die liggen voor mij niet naastbij.
Voorbeeld:
Gegeven:
T kruispunt
Rechts parkeren, voor het kruispunt.
Geen dwarsstraat aan de rechterkant die toekomt.
Wel dwarsstraat aan de linkerkant die toekomt.
Ik moet dus volgens mijn theorie om de plaats te bepalen waar ik mag parkeren rekening houden met de denkbeeldige verlenging van de werkelijke rand rechtsvoor want dat is de enige rand die naastbij kan liggen, de andere randen liggen aan de overkant.
Maar er is geen rand rechtsvoor, dan kan ik deze niet verlengen en is er aldus geen parkeerverbod.